Auteur: Jan Dirk van der Borg

  • Eind februari 2022 was ik te gast bij Omroep Gelderland om te spreken over bedreigde raadsleden.

    Hoewel de interviewster het direct persoonlijk wilde maken (vertel over je eigen bedreiging!), gaat het mij vooral om wat anders: dat elke bedreiging in potentie een beïnvloeding is van de democratie.

    In gesprek bij Gld Stemt over bedreigde raadsleden

    Bedreigingen van raadsleden

    Vanuit mijn werk voor de Bestuurdersvereniging van mijn politieke partij kom ik vaak in aanraking met raadsleden, wethouders of andere politieke ambtsdragers die te maken hebben met bedreigingen. Bedreigingen in allerlei vormen. Bijvoorbeeld online, via de mail of sociale media. Of doordat ze een dreigbrief krijgen. Een steen door de ruit. Poging tot brandstichting. Een intimiderende opmerking of een ei naar je hoofd. Stuk voor stuk voorbeelden die een grote persoonlijke impact hebben op de persoon. Alleen daarom al verwerpelijk en strafbaar.

    Maar er speelt meer. Elke bedreiging of intimidatie kan tot gevolg hebben dat een volksvertegenwoordiger anders besluit. Dan wel doordat het raadslid toch maar tegen stemt vanwege de angst voor persoonlijke consequenties, dan wel dat de belangen van de dreiger bewust achterwege worden gelaten in de afweging.

    Bij Omroep Gelderland kwam de vraag op tafel of het niet ‘gewoon’ bij het vak van raadslid hoort. Nee! Nooit. Ik schrok van de vraag. Hoe kunnen we accepteren dat bedreigingen en intimidatie kunnen leiden tot verzwakking van de lokale democratie? Dat mag nooit gebeuren.

    Geen haat in de raad

    De vraag is natuurlijk hoe het komt, dat het aantal bedreigingen aan volksvertegenwoordigers toeneemt. Overigens is de toename vooral online te zien. Ligt het in de verharding van de samenleving? Ik denk het wel. Heeft het te maken met verruwing van het debat in de Tweede Kamer of (sommige) gemeenteraden? Zeker wel!

    Daarom heb ik ook van harte het manifest ‘Geen haat in de raad’ ondersteund. Als raadsleden moeten we het goede voorbeeld geven. In de Haagse politieke praktijk worden scheldpartijen, bedreigingen en verdachtmakingen als normaal gevonden. Dan is het niet gek dat een gedeelte van onze inwoners dat gedrag als normaal gaan zien. Daarom mag deze verharding niet in Apeldoorn optreden. Daar mag u mij op aanspreken.

    Breder samenlevingsprobleem

    Het is niet alleen een probleem van de politiek. De verharding en verhuftering van de samenleving is iets wat ambtenaren, boa’s, politieagenten, GGD-medewerkers, journalisten en vele anderen vrijwel dagelijks ervaren. In Apeldoorn zijn nu in relatief korte tijd meerdere bedrijven overvallen, zoals laatst wederom een cafetaria.

    Ik ging in januari dit jaar in gesprek met een cafetaria-eigenaar om het hierover te hebben.

    Het is niet voor niets dat het voor het CDA Apeldoorn een van de campagne-thema’s is. De toenemende verharding in de samenleving is een zorg. We moeten weer leren om met elkaar te samenleven, om respect te hebben voor elkaar. En waar kunnen we dat beter leren dan in de buurt, op de sportvereniging of op school?

  • Een lokale democratie die dicht bij de leefwereld van mensen staat, dat zou het ideaal moeten zijn. We zien dat de realiteit anders is. Niet om te somberen, maar de kwaliteit en effectiviteit van de lokale democratie staat onder druk. En dat schreeuwt om een antwoord. 

    De lokale democratie staat onder druk. Ik zie in de lokale democratie vier, voor dit stuk, relevante trends: 

    (1) De trend in het Nederlandse bestuurlijke bestel is centralisatie. Ondanks decentralisatie bewegingen in onder andere het sociale domein worden er steeds meer zaken op landelijk niveau geregeld. Gemeenten en provincies worden meer en meer uitvoeringsorganisaties van het Rijk. Met een tekort aan financiële middelen, zoals voor de jeugdzorg en de wet maatschappelijke ondersteuning. 

    (2) Het uitvoeren van taken van gemeenten worden complexer en complexer. In beginsel is dat niet erg, maar het vraagt wel om volksvertegenwoordigers en bestuurders die in staat worden gesteld om hun rol en taak te vervullen. En we zien in gemeenteraden steeds meer moeite om het gesprek te voeren over de thema’s die inwoners raken. 

    (3) Er is een wirwar aan regionale samenwerkingsverbanden met een beperkte democratische legitimatie ontstaan. Gemeenteraadsleden vinden dit al complex, laat staan dat inwoners weten wat daar gebeurt. Dit ‘niemandsland’ (zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur dit al noemde) zorgt voor uitholling van het lokale en decentrale bestuur. 

    (4) Inwoners hebben al langer niet het gevoel dat het gemeentebestuur er voor hen is. Ook lokaal staat de relatie tussen inwoner en overheid onder druk. Laten we eerlijk zijn. Te lang zijn er vrij defensieve antwoorden gegeven als het gaat om een gedegen visie op het lokale bestuur en de ontwikkeling ervan. In Frankrijk heeft de regering het lef gehad om de bestuurlijke indeling in 2016 te hervormen door regio’s samen te voegen. De bestuursstructuur en -cultuur in Frankrijk is niet te vergelijken met Nederland, maar het zou ons moeten zeggen dat ons bestuurlijk huis niet eeuwigdurend kan bestaan. 

    Democratie vraagt om organisatie dichtbij de leefwereld van mensen

    Ik realiseer me dat het functioneren van de lokale democratie van meer afhangt dan alleen structuren. Bij structuurdiscussies wordt al snel gesproken over opschaling. Dat is niet mijn ideaal. Een bestuursorgaan en de daarbij horende ondersteunende organisatie dient voldoende kracht hebben om taken en verantwoordelijkheden op te pakken. En grotere organisaties zijn nu eenmaal beter in staat om kwetsbaarheden op te vangen. 

    Maar daar gaat het niet over. De toekomst is aan lokale en regionale gemeenschappen. En democratie moet zoveel mogelijk aansluiten bij de leefwereld van mensen en de samenleving. Omdat de overheid altijd dienend is aan de gemeenschap. De overheid is primair om de kwaliteit van leven in de ‘cirkels’ waar mensen leven te versterken.

    De leefwereld van mensen bevindt zich in buurten, wijken en dorpen. Daar is ontmoeting, is men actief in verenigingsverband, of anderszins. Voor grotere voorzieningen is de nabij gelegen centrumplaats beschikbaar. De stad heeft een centrale plek gekregen in de regio. De stad wordt ten opzichte van de natiestaat al langer meer kracht toegedicht, onder andere door de politicoloog Benjamin Barber. (2012).

    Kortom, leefwerelden van inwoners zouden centraal moeten staan. Die aansluiting tussen gemeenschap en overheid is er op veel plekken niet. Herindelingen zijn vaak het resultaat geweest van het ontbreken van bestuurskracht, en de vraag over leefwereld wordt zelden gesteld. Het woord ‘gemeente’ verwijst naar ‘gemeenschap’, of zoals men in Frankrijk ‘commune’ gebruikt. En is een gemeente die op elk beleidsthema een ander samenwerkingsverband in de regio heeft een voorbeeld van een overheid die aansluit bij de leefwereld van mensen? 

    Het antwoord is nee. 

    Daarom wil ik een lans breken voor de hervorming van ons bestuurlijk stelsel, en wel met de volgende drie componenten: 

    (1) Maak mogelijk dat dorpen, wijken en steden een gemeente kunnen vormen met een beperkt takenpakket en een beperkte (bestuurlijk en ambtelijke) organisatie. Gericht op het vertegenwoordigen van de belangen van inwoners op de andere bestuurslagen. 

    (2) Vorm een grotere bestuurslaag (ik wil wegblijven bij een woordendiscussie, maar noem het departement, het (Duitse) ‘Kreis’, stadstaat of iets anders) rondom de steden of centrumdorpen in Nederland, met verregaande bevoegdheden op fysiek en sociaal domein, met financiële slagkracht en sturingsmogelijkheden op gemeenten. Dit om de slag- en bestuurskracht van kleinere gemeenten op te vangen. Alle huidige samenwerkingsverbanden kunnen een plekje krijgen in deze bestuurslaag. 

    (3) Maak het mogelijk dat de decentrale bestuurslagen kunnen verschillen in bevoegdheden en taken, zolang taken maar zijn belegd op een van de bestuurlijke niveaus. Deze zogenaamde differentiatie is in het Verslag Van Zwol (2021) ook als zodanig benoemd. 

    Slotopmerkingen

    Ik weet dat discussies over het bestuurlijke huis van Nederland gevoelig leggen, net als pogingen om bestuursorganen zoals de burgemeester en de gemeenteraad anders te organiseren. Echter, met een samenleving in transitie, en met gemeenschappen en mensen die een overheid wensen die hun leefwereld begrijpt, is het tijd om de leiding te nemen in het debat over de toekomst van het Nederlandse decentrale bestuurlijke stelsel.

  • De formatie staat (weer) op het punt van beginnen. Deze week starten de gesprekken nadat de VVD en D66 een concept-regeerakkoord hebben geschreven. Ik ben uiteraard benieuwd wat er in staat. Nu er voor de andere politieke partijen nog alle ruimte is om input te leveren, heb ik voor hen ook nog een aantal suggesties als het gaat om het lokaal bestuur.

    Grijp in op het jeugdzorgdomein

    De discussies in het jeugdzorgdomein gingen in de afgelopen kabinetsperiode vaak over geld. Zes jaar decentralisaties heeft in de jeugdzorg (nog) niet gebracht wat het zou moeten brengen. Te veel jongeren professionele lijken hulp nodig te hebben. De kernvraag is: hoe komt dat? Verwachten wij, samenleving, onderwijs en ouders, niet te veel van de ontwikkeling van een kind? En labelen we niet teveel kinderen die ‘iets’ hebben?

    De druk op ouders en onderwijs om hulp te zoeken voor een kind met lichte problemen neemt teveel toe. Terwijl ons ideaal toch moet zijn om zo min mogelijk kinderen professionele hulp aan te bieden en alleen als dat echt nodig is? Want dit ‘normaliseren’, zoals dat juist in de volksmond niet is geen heten, is ons eerlijk gezegd niet gelukt.

    Zorg is een verdienmodel geworden. Een zorgbedrijf gaat op zoek naar klanten, naar omzet. Daar is op zich niks mis mee, maar het is wel goed om afspraken en normen vast te leggen. Is het dan gek dat de aantallen zorgvragers toeneemt? En wat vinden wij eigenlijk van zorgbedrijven die forse winsten boeken?

    Zorg is geen commercieel product. Veel te veel jongeren zijn in de jeugdhulp terechtgekomen. Het maatschappelijk streven moet zijn om zo veel mogelijk jongeren in de vertrouwde omgeving te laten opgroeien, in het onderwijs, thuis en in de eigen omgeving. Het is onze stellige overtuiging dat veel van de lichte jeugdzorg hoort op die plek.

    Veel gemeenten worstelen met de jeugdzorg. Aan de Rijksoverheid om gemeenten daarin te ondersteunen en dus ook in te grijpen waar het niet goed gaat. Let op, dat is wat anders dat centraliseren.

    De Regionale Energiestrategieën (RES) zijn niet (meer) het instrument om de klimaatdoelen te halen

    Ik ga hier geen pleidooi houden voor een stevig klimaatbeleid. Dat doen anderen al. Maar de wijze waarop in de afgelopen jaren keuzes zijn voorgesteld in de energietransitie verdient geen schoonheidsprijs. Want welke democratische legitimiteit ligt er eigenlijk onder deze ingrijpende keuzes? Het regionale karakter van het RES-bod maakt dat er weinig maatschappelijke betrokkenheid sprake is. Ja, er zijn inspraakrondes, maar wat is dat waard als het via het college van gemeente X, naar de gemeenteraad van gemeente X, naar het complete bod van regio Y gaat? Dan blijft er van dat kleine belang weinig over. Nu is dat door goede participatievormen (maar ingewikkeld!) nog een klein beetje te repareren. Ingewikkelder is de legitimiteit als je moet constateren dat een gemeente door deze constructie wel mag invullen hoe zij maatregelen gaan nemen, maar niet de principiële keuze op tafel kunnen leggen of zij zelf een maatregelenpakket zouden willen nemen. Daarmee is alle democratische grond verdwenen. Zullen we het dan maar niet meer over draagvlak hebben?

    Dit leidt af. Zoals u ziet. Tijd voor ingrijpende maatregelen voor de industrie? En zullen we dat op Rijksniveau, of waar het kan, op provinciaal niveau doen? Daarmee zet je stappen. De opbrengsten uit de RES zijn maar kruimelwerk.

    Neem gemeenten en provincies serieus en houdt de lokale democratie vitaal

    De relatie tussen de Rijksoverheid enerzijds en anderzijds de provinciale en gemeentelijke overheid staat onder druk en dat heeft invloed op de werking van het decentrale openbaar bestuur. We moeten op zoek naar hoe we de lokale democratie vitaal kunnen houden. Ik zie daarin de volgende aandachtspunten:

    • De relatie tussen het Rijk en de lokale overheid staat onder druk, wat zich met name uit in financiële vraagstukken. In de kern gaat het om de vraag hoe je naar de lokale democratie kijkt. Zijn gemeenten uitvoeringsorganisaties of volwaardige lokale democratieën?
    • Is differentiatie van taken en bevoegdheden bij gemeenten mogelijk? Van grote (centrum)gemeenten mag je verwachten dat zij complexe taken kunnen uitvoeren en betalen. Waarom kunnen grote gemeenten niet vaker taken (geen bevoegdheden) van kleinere gemeenten overnemen?
    • De democratische legitimatie van samenwerkingsverbanden (zoals bijvoorbeeld Veiligheidsregio, Jeugdzorgregio en vele andere verbanden) en de wijze waarop de volksvertegenwoordiging wordt betrokken (en dus de bevolking).
    • De discussies over de inrichting, taak en positionering van lokale bestuursorganen.

    Financiële positie van decentrale overheden moet substantieel beter

    In het verlengde van het vorige punt (maar ook in deze volgorde): bestuurders en politici van decentrale overheden, verspreid over alle partijen, zijn het er over eens dat de Rijksoverheid de afgelopen jaren structureel te weinig middelen naar gemeenten heeft gestuurd. Voor een deel is dit veroorzaakt door tekorten in het sociale domein, maar ook door tekorten in de breedte van de totale (met name gemeentelijke) begrotingen. Kort samengevat: veel extra taken, maar vaak zonder voldoende knaken.

    De effecten van deze tekorten zijn pijnlijk zichtbaar. Veelal in kleinere gemeenten, waarbij het moeilijker is om tussen middelen in de begroting te schuiven. De gevolgen zijn lastenverhogingen, of bezuinigingen, bijvoorbeeld op de bibliotheken, zwembaden en subsidies, enz.

    Naast een fundamentele heroriëntatie op de verhouding tussen de Rijksoverheid en decentrale overheden (zoals in vorig punt benoemd), is het noodzaak om decentrale overheden van voldoende financiële middelen te voorzien om de basis weer op orde te krijgen. Dit kan niet zonder een verbreding van het lokale belastinggebied.

  • Wat een verademing was het. Van maart tot en met mei 2020. De stille stad. Dat is een persoonlijke beleving, dat weet ik. Het heeft in ieder geval het idee opgeleverd dat de stad er ook anders kan uitzien. Doordat de noodzaak om afstand te houden, was er meer ruimte nodig. Het is nu nog geen tijd om allerlei oplossingen te formuleren. Vooral vragen stellen. Ik wil in dit blog graag een aantal accenten leggen over de toekomst van de stad Apeldoorn.

    (meer…)
  • Steeds meer CDA-fracties, burgemeesters en afdelingen zijn voorstander van een verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens Oud en Nieuw. Tijd dat de CDA-kamerfractie dat ook gaat doen. Het is tijd dat het CDA achter deze maatschappelijke verandering gaat staan, net als een steeds groter wordende groep Nederlanders. Er zijn veel argumenten om te stoppen met consumentenvuurwerk: er is een groot risico op letselschade, mensen en dieren ondervinden ernstige overlast, gebouwen raken beschadigd, de luchtkwaliteit is urenlang zeer slecht, en politie en hulpverleners zijn in gevaar. Een mix van alcohol, vuurwerk en overlast maakt dat de viering van Oud en Nieuw is te gevaarlijk geworden.

    Vuurwerk bestaat al eeuwen in ons land. Het was vanaf de 18e eeuw een middel om de feestvreugde te versterken. Pas in de 20e eeuw wordt zelf vuurwerk kopen en afsteken populair. Vanaf de 60’er jaren brengt de combinatie van stijgende welvaart en toenemende import uit vooral China een grote groei van particulier vuurwerk op gang. Rotjes, voetzoekers, potten, pijlen, single shots, het is slechts een greep uit de talloze vormen van vuurwerk. Vorig jaar schoten Nederlanders weer miljoenen euro’s aan vuurwerk de lucht in.

    Voor een aantal vuurwerkliefhebbers en mensen die van traditie houden gaat het nu misschien wat snel. We zijn er niet op uit om voor- en tegenstanders van vuurwerk tegen elkaar uit te gaan spelen. Er is al meer dan genoeg polarisatie in ons land. In het jaar dat voor ons ligt willen wij een beroep doen op positieve krachten in onze samenleving om samen die verandering mee te gaan maken. Wij rekenen erop!

    Met alleen een verbod zijn we er niet. Het moet mogelijk blijven om in dorpen en wijken op een centrale plek collectief, gecontroleerd en veilig vuurwerk af te steken. Gemeenten moeten daarmee aan de slag. In Australië bijvoorbeeld organiseren de plaatselijke Kamers van Koophandel al tientallen jaren een centraal vuurwerk.

    Als gemeentebesturen staan we soms letterlijk in de vuurlinie. Een afsteekverbod overlaten aan gemeenten is te makkelijk. Er wordt nu ook van de landelijke politiek actie verwacht.